Leraren en tradities

De non-dualistische visie staat centraal in de traditie van de Advaita Vedânta, de Indiase stroming die teruggaat op de oude Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.)1.Deze geschriften worden de Vedânta genoemd, omdat ze de laatste delen en in zekere zin de conclusie van de Veda’s vormen (Veda-anta). Daarin wordt op vele plaatsen een benadering gegeven van de oergrond van alles (Brahman). Deze is de oorsprong van alles, draagt alles, maakt alles mogelijk, doordringt alles, maar is ook transcendent aan kosmos en wereld. Daarnaast wordt in een reflectie op en bewustwording van het eigen zelf-zijn gezocht naar de hoogste waarheid omtrent het zelf-zijn, naar het meest eigen zelf-zijn (Âtman). De meest opvallende stelling is, dat Âtman het Brahman is. Ze zijn identiek en daarmee zijn alle scheidingen verdwenen. Dit op een levende en scherpe manier inzien betekent de bevrijding van alle beperkende banden, ook die van het handelen en de handelingsresten (karma) en van de wedergeboorte (samsâra).

“Wat voor verdriet of welke teleurstelling kan er zijn voor wie weet dat alles in het Ene en het Ene in alles bestaat?” (Isha Upanishad 1.7 1)

Op allerlei plaatsen en in alle tijden is in de Indiase cultuur de non-dualistische visie te vinden, ook in de Bhagavadgîtâ. De traditie die de non-dualistische leer van de Upanishaden voortzet en uitwerkt wordt de Advaita Vedânta genoemd.

In deze traditie staan vele wijzen die bevrijd in dit leven (jîvanmukta) aan anderen onderricht gaven. Sommigen van hen gaven in dit kader verhelderende filosofische uitwerkingen van de Advaita Vedânta. Onder hen is Shankara (Shankarâchârya) (8e eeuw)2 de meest vooraanstaande.

Ramana Maharshi 3,4 († 1950) en Nisargadatta Maharaj 5 († 1981) zijn twee advaita leraren die veel westerse leerlingen hebben gehad. Door hen en door andere leraren is de advaita-benadering in het Westen bekend geworden.

 

Ook in andere tradities heeft het non-dualisme een centrale plaats, zoals het Kashmir shaivisme, het boeddhisme, het daoïsme, de joodse en christelijke mystiek en het soefisme. Ook in de westerse geschiedenis van het denken is de vraag naar het ene en het vele voortdurend gesteld. Vanaf de vroeg-Griekse natuurfilosofen, werd gezocht naar de oorsprong en de dragende grond van alles.

Bekende stellingen in de geschiedenis van het denken verwijzen naar de Natuur, naar God en naar de mens. De Natuur werd op verschillende wijzen gezien, onder andere als oerelement bij de oude Grieken en als de Scheppende Natuur in de Romantiek, de levensfilosofie (Schopenhauer, Nietzsche, Bergson) en de New Age-beweging. In deze opvatting van de Scheppende Natuur wordt de mens als onderdeel van de Natuur gezien. Door je aan de Natuur over te geven, blijft er eenheid bestaan.

De God van de joodse en christelijke godsdienst is als Schepper gescheiden van het geschapene, waartoe de mens behoort. Alleen in het pantheïsme en in de eenheidsmystiek is de scheiding minder sterk of afwezig.

In de 18e en 19e eeuw kwam de mens als rationeel wezen centraal te staan, in de wijsgerige antropologie en het existentialisme van de 20e eeuw de mens met alle aspecten van zijn leven in de wereld.

Daarbij benadrukten filosofen de dubbelzinnigheid van de relatie tussen mens en wereld/kosmos: enerzijds maken wij deel van de wereld uit, anderszijds hebben wij hier weet van en kunnen wij ons er (gedeeltelijk) aan onttrekken.

Monistische visies, van materialistische tot idealistische, laten de dubbelzinnigheid los om één van beide polen te benadrukken.

De onbepaaldheid werd een centrale notie bij zogenaamde postmodernistische filosofen, die op grond van die onbepaaldheid zich vaak relativistisch en pragmatisch opstellen.

Ondanks de verschillende wijzen van bespreken, blijven de fundamentele vragen over de dragende grond van alles, over de aard van het zelf-zijn en de relatie tussen beide, steeds aanwezig. Ze komen in veel gevallen overeen met die van het Indiase advaitische denken. Daarom zijn vergelijkende beschouwingen mogelijk en wenselijk.

Ten tijde dat gij één waart hebt gij u tot twee gemaakt, maar dan, twee zijnde, wat zult gij doen? …  Als gij van twee één zult maken zult gij Zoon van de mens zijn. (Jezus in Het Evangelie van Thomas 6)

Noten

  1. In: De elf grote Upanishaden. Tekst en toelichting, D. Tiemersma (red.), Uitg. Advaita Centrum, Leusden 2004, p. 166; Een ander boek met een selectie uit de Upanishadenliteratuur in Nederlandse vertaling en met toelichting is: W. H. van Vledder Het mysterie van het zelf – Upanishaden, Ankh-Hermes, Deventer 2000.
  2. Een paar boeken met teksten van Shankara zijn de volgende. S. Mayeda (ed.) A thousand teachings of Sankara, State University of New York, New York. Swami Nikhilananda (transl.), Âtmabodha, Ramakrishna Math, Madras 1975, G. Thibaut (transl.) The Vedântasûtras with the commentary of Sankarâchârya, Dover, New York 1962.
  3. Ramana Maharshi, Ramana Upanishad, (Philip Renard redactie en vertaling), Servire, Utrecht 1999 – dit boek bevat de verzamelde geschriften van Ramana Maharsi.
  4. Ramana Maharshi, De leringen van Ramana Maharshi, (David Goleman red.) Mirananda, Den Haag 1985 – hierin staan uitspraken van Ramana Maharshi in een thematische ordening.
  5. Nisargadatta Maharaj, I am That. Talks with Sri Nisargadatta Maharaj (Maurice Freedman ed.; Douwe Tiemersma ‘Foreword’) Chetana, Bombay 1973 etc.; Ned. vert. Ik ben, en Zijn, Altamira-Becht, Bloemendaal 2000 – er zijn meer vertaalde boeken, maar dit is het klassiek geworden boek. Zie ook de Literatuurlijst Sri Nisargadatta Maharaj.
  6. Het evangelie van Thomas, Ankh-Hermes, Deventer 1999, p. 80, 158